4 mei moeten we niet vergeten!

Zeker niet, het lijkt juist steeds belangrijker om de verhalen over de oorlog levendig te houden!

Af en toe komt er een verhaal voorbij dat je bijblijft. Een verhaal over erbarmelijke omstandigheden en hoop in oorlogsdagen. Uit mijn eigen onderzoek over het Psychologisch Kapitaal blijkt dat ‘hoop’ niet gebonden is aan woonplaats, afkomst, hoe je eruit ziet, hoeveel geld je hebt en of er basisvoorzieningen zijn. IEDEREEN bezit het en zou het kunnen aanspreken. Dit verhaal wil ik je daarom niet onthouden:

De kaars

Het gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog in december 1944. In een Japans interneringskamp op Sumatra zat een groep mannen gevangen in een sombere barak. Daarbuiten scheen overdag de gloeiend hete tropenzon, maar binnen was het altijd schemerig of donker. Al meer dan twee jaar moesten de mannen daar leven. Een man hield de dagen en weken nog bij door het kerven van kleine streepjes in een balk. De anderen waren er te moe en te ziek voor. Ze werden meer met de eeuwigheid geconfronteerd dan met de dag of het uur. Want er stierven veel mannen door honger en tropische ziekten of alleen maar omdat ze niet meer wilden leven. Hun laatste sprankje hoop op bevrijding was uitgedoofd. Wie nog leefde in dat kamp had nog maar een verlangen: eten, eten wat dan ook. Het was er niet, ze waren uitgehongerd. Maar zo nu en dan ving iemand wel eens een slang of een ander dier, een rat bijvoorbeeld. Er was een man in dat kamp, die nog iets eetbaars bezat. Een kaars. Een gewone waskaars. Natuurlijk had hij die destijds niet meegenomen of bewaard om op te eten, maar het was vet. Als de marteling van de honger helemaal niet meer was uit te houden, ging hij aan de kaars kluiven. Hij at hem nog niet op, want hij beschouwde die kaars als zijn laatste redding. Als hij krankzinnig zou worden van de honger, dan zou hij de kaars opeten. Op een avond was de man die de tijd nog bijhield, bezig met het tellen van de streepjes op de balk. Na een langdurige berekening zie hij: ‘Het is Kerstavond!’

Toen zei een ander: ‘Met Kerstmis branden de kaarsen.’ Die opmerking ging bij de meeste mannen voorbij, maar laat in de avond toen iedereen op de planken probeerde in slaap te komen ondanks de honger, haalde die ene man zijn kaars tevoorschijn. Zijn vriend die naast hem lag dacht:‘Nu eet hij de kaars op. Als hij nu ook maar aan mij denkt en me er een stukje van geeft!’ Hij zag hem naar buiten gaan, waar een klein vuurtje smeulde. Met een brandende spaander kwam hij terug. Toen gebeurde het vreemde: met die spaander stak hij zijn kaars aan en zette hem op een plank midden in de barak. Het duurde niet lang of de ene schaduw na de andere schoof naderbij, halfnaakte kerels, van wie je de ribben kon tellen, met holle kaken en brandende hongerogen. Zwijgend vormden ze een kring om de brandende kaars.

Er was ook een dominee bij. Je kon het niet aan hem zien: hij was ook nog maar een stuk uitgemergelde ribbenkast. Deze man zei met schorre stem: ‘Het is Kerstmis. Het Licht schijnt in de duisternis. En de duisternis heeft het niet overwonnen.’

Die nacht, om deze kaars, was het geen geschreven Woord van eeuwen geleden, maar de levende werkelijkheid, een boodschap, voor dit uur voor deze mannen. Want het Licht scheen in de duisternis. En de duisternis overwon het niet. Dat was wat zij voelden, zwijgend rond dat kerstlicht.

Daar in die rimboe was het voor hen een kaarsvlam die door het dak van de barak heen tot de hemel reikte. In die vlam zagen ze dingen die niet van deze wereld zijn. De mannen voelden zich vrij en opgeheven. Hun honger voelden ze niet meer. Die kaars had hen allen gevoed en sterker gemaakt. Dat kaarslicht heeft hun moed en kracht gegeven, want toen wisten ze dat het nog de moeite waard was om verder te leven en dat er ergens aan het eind op ieder van hen een thuis wachtte. En dat was ook zo.

Sommigen kwamen thuis, een groter licht hebben zij nooit meer gezien. Andere stierven met glans in de ogen.

De oorlog was voorbij.

 

Bron: auteur Willem Brant (1905-1981) uit het boek van Baukje Offringa ‘Groeien als een boom’.